Streekidentiteit

Streekidentiteit

Kempenaars herkennen elkaar. “Da’s er ene van bij ons,” zeggen ze. Deze herkenning is geen toeval: ze duidt op een gezamenlijk verleden van de streek en zijn bewoners. Op een geschiedenis van mensen die hun lastige land hebben moeten temmen en vruchtbaar maken. Het is het verhaal van een randgebied. Van leven in de marge.

De Kempen is van oorsprong een ruw heidelandschap: uitgestrekt, droog en verlaten. Door hard werk wordt het gebied door mensen ingepalmd, bebost, ontgonnen, gewonnen, veroverd zelfs. Maar de ruwe, zanderige bodem maakt die verovering niet makkelijk. Het vraagt volharding, inventiviteit, koppigheid, aanpassing, plantrekkerij. De Kempenaars worden pioniers, noodgedwongen: ze zoeken het allemaal zelf uit, gaan op zoek naar eigen oplossingen.

Succesverhalen maken en schrijven ze zelf, tegenslagen verwerken ze op eigen houtje. Deze strijd voor vruchtbare grond en een beter leven heeft een gevoel gecreëerd van zelfwaarde en samenhorigheid.

De Kempenaar staat met beide voeten op de grond, staat voor echtheid en honkvastheid. Hij is niet bang voor hard labeur en geniet van ontspanning- na-de-inspanning, mét bijhorend feestgedrag.

De Kempen ligt aan de rand van het land. Dit ‘randlandgevoel’ overheerst de Kempense geschiedenis, ruimtelijk en mentaal. De rand van het land wordt vaak beschouwd als achtergesteld, kneuterig en minderwaardig. Wat het binnenland niet wil zien, wordt naar de Kempen gebracht: zware, vervuilende industrie, maar ook afval. Industrieel afval, nucleair afval, maatschappelijk afval.

Leven aan de rand van het land bracht vaak een gevoel mee van verdrukking en marginaliteit, maar zorgt ook voor een sfeer van vernieuwing, en van mogen mislukken, van veerkracht en empathie, solidariteit en anders-zijn. De Kempenaar leert relativeren en gaat met moeilijke situaties om vol humor, deugnieterij, met vlijt en sociaal vindingrijk.